
Hugo, geboren te Fosses-la-ville op het einde van de XIe eeuw, was eerst kleriker
aan de collegiale kerk van zijn geboortestad, vervolgens kapelaan van bisschop
Burchard van Kamerijk. In het gezelschap van zijn bisschop ontmoette hij op
26 maart 1119 te Valenciennes Sint-Norbertus. Getroffen door de apostolische
levenswijze van de wandelende prediker, besloot Hugo zich bij hem aan te sluiten,
en werd zijn eerste volgeling. Toen Norbertus op het Concilie van Reims door
de Paus onder de hoede van de bisschop van Laon werd gesteld, vervoegde Hugo
zich opnieuw Burchardus, de bisschop van Kamerijk. Na de stichting van Prémontré,
twee jaar later, keerde hij in 1121 terug. Norbertus stelde Hugo aan tot prior
van de jonge gemeenschap. Nadat de ordestichter in 1126 aartsbisschop was geworden
van Maagdenburg, kozen de medebroeders op aanwijzing van Norbertus Hugo tot
hun eerste abt. Hij bouwde de abdijkerk en trok de conventgebouwen op. Om de
eenheid tussen de verscheidene stichtingen van Norbertus te verzekeren, riep
hij de oversten van alle huizen samen op een colloquium, dat na dien de vorm
van generaal kapittel aannam. Samen met hen stelde hij de eerste Statuten van
de Orde op en formuleerde eveneens de liturgische voorschriften. Dank zij de
inspanningen van Hugo van Fosses beschikte de Orde over een struktuur, die haar
in staat stelde de eeuwen te trotseren.
Zacht en deemoedig van hart maar tegelijk taai en vasthoudend, stond Hugo in
dienst van zijn medebroeders. Gedurende 38 jaar was hij de vader van de communiteit
van Prémontré en de waarborg van de eenheid in de Orde. Hij overleed
op 10 februari 1164 en werd begraven in de abdijkerk vóór het
altaar van de heilige Andreas. In 1279 liet abt-generaal Aegidius van Biervliet
zijn lichaam overbrengen in een graf vóór het hoogaltaar. Abt-generaal
Lescellier zorgde in 1660 voor een nog meer voorname tombe boven het graf van
Hugo.
Na de opheffing van Prémontré tijdens de Franse Revolutie bracht
men zijn reliquieën over naar de kerk van Bassoles. Gedurende de oorlog
van 1914-1918 werden ze bewaard in de kathedraal van Laon en vervolgens in de
sacristie van de kerk van Brancourt. Deze kerk werd fel beschadigd door de bombardementen,
en de bisschop van Soissons trok de aandacht van prior Franken van Bois-Seigneur-Isaac
op de relieken van Hugo. In 1922 bracht hij deze plechtig over naar de abdij
van Bois-Seigneur-Isaac, waar ze nu berusten in een kapel ter zijner eer ingericht.
Paus Pius XI keurde de cultus van de zalige Hugo goed op 13 juli 1927.