
Hroznata, een Boheemse edelman, werd geboren omstreeks 1170 en na de vroege
dood van zijn vader te Krakau bij zijn zuster opgevoed. De begaafde jonge man
huwde, maar verloor na korte tijd zijn echtgenote en zijn zoontje. Liever dan
te hertrouwen besloot hij, een klooster op te richten, een geestelijk nakomelingschap.
In 1193 stichtte hij de abdij van Teplá en begiftigde het huis met een
uitgebreid grondbezit. Toen de pauselijke legaat de ridderschap mobiliseerde
voor een kruistocht, legde Hroznata de gelofte af, de heilige plaatsen in Palestina
te gaan bevrijden. Met zijn soldaten toog hij naar Brindisi. Te Rome liet hij
de abdij Teplá door de Paus goedkeuren. De kruistocht werd in 1197 in
Zuid-Italië ontbonden. Op de terugweg te Rome ontsloeg de Paus hem van
zijn gelofte en legde hem op, een vrouwenklooster te bouwen. Samen met zijn
zuster Woyslawa, weduwe geworden, stichtte hij omstreeks 1200 het norbertinessenklooster
van Chotešov. Hij zelf werd kloosterling (broeder) in Teplá. De
overlevering bericht, dat Hroznata te Rome door paus Innocentius III met het
witte habijt van de premonstratenzers bekleed werd. Wegens zijn ervaring in
de zaken droeg abt Johannes hem op, voor het beheer der goederen te zorgen.
Met hart en ziel zette hij zich in voor het welzijn van de abdij; dit was de
vijanden van het klooster een doorn in het oog: Zij gijzelden hem 1217 en sloten
hem op in de burcht Hohenberg. Hij weigerde, dat Teplá losgeld voor hem
zou betalen, en de gijzelnemers lieten hem op 14 juli 1217 in de kerker verhongeren.
Na zijn dood konden de Teplenses zijn stoffelijk overschot afkopen en begroeven
hem voor het hoogaltaar van de abdijkerk. Hij werd vereerd als een zalige omwille
van zijn naastenliefde, zijn nederige dienstbaarheid en zijn marteldood. Paus
Leo XIII verklaarde hem zalig op 16 september 1897; honderd jaar later werd
hij tot patroon uitgeroepen van het nieuwe Tsjechische bisdom Plzen. Voor informaties
tot het canonisatie-proces
Causae van de orde.