
Gertrudis van Altenberg, geboren op 29 September 1227, was de dochter van
Lodewijk, landgraaf van Thüringen en Hessen, enkele weeken tevoren bij
de zevende kruistocht gesneuveld, en van de heilige Elisabeth van Hongarije.
Deze had tijdens haar zwangerschap de belofte gedaan, haar kind toe te vertrouwen
aan de norbertinessen van Altenberg bij Wetzlar. Reeds als klein meisje verbleef
Gertrudis in het klooster, ze groeide er op, kreeg daar haar vorming en trad
binnen in het vrouwenklooster Altenberg. Ofschoon ook Elisabeth enkele jaren
na de geboorte van Gertrudis stierf, herinnerte zich de kloostergemeenschap
van Altenberg steeds aan haar bezoeken, bij die de landgraafin met de zusters
spon. Met 8 jaar kon Gertrudis in mei 1235 de heiligverklaaring van haar moeder
in Marburg meevieren. Toen ze 24 jaar was, werd ze de derde Magistra van het
klooster.
Als Paus Urbanus IV de christelijke wereld opriep voor een kruistocht, om de
heilige plaatsen te veroveren, nam Gertrudis actief deel aan deze onderneming.
Het kruis dragend, ging ze met haar medezusters en een menigte voorname dames
op tocht, om gelden te verzamelen, waarmee ze kruisvaarders konden uitrusten.
Ze voerde in haar klooster van Altenberg ook onmiddellijk het feest in van het
Heilig Sacrament, dat dezelfde paus Urbanus IV in 1264 had ingevoerd. In het
hospitaal, dat binnen de kloostermuren was opgericht, vervulde zij de meest
nederige diensten aan armen en zieken. Ze bezat de gave, om personen die in
twist leefden te verzoenen. Om de goddelijke bijstand af te smeken, onderwierp
ze haar lichaam aan strenge boetedoeningen. Getroffen door een ziekte, overleed
ze op 13 augustus 1297, in de ouderdom van 69 jaar.
Paus Clemens V schonk in 1311 aflaten op haar sterfdag en keurde haar cultus
goed (tenminste als de bulle authentiek is). De verering van Gertrudis als zalige
werd definitief erkend 22 januari/8 maart in 1728 door Paus Benedictus XIII.
De protestantse diaconessen, die nu het klooster van Altenberg bewonen, hebben
voor Gertrudis een oprechte verering.