
Bronislawa werd geboren in 1203 op het slot Kamien, uit een familie, die zich
had aangesloten bij de Gregoriaanse hervorming. Ze groeide op in een geest,
die sterk getekend was door de kruisvaarten. De devotie tot het heilig Kruis
zou haar leven kenmerken. Op 16 jaar trad ze binnen bij de norbertinessen van
Zwierzyniec-Krakau, een klooster, gesticht door de grootvader van haar moeder.
Door haar onophoudelijk gebed, de beschouwing van het lijden van Onze Heer en
haar diepe verering voor het heilig Kruis, heeft Bronislawa een stempel gezet
op haar tijdgenoten. In 1241 deden de Tataren een aanval op Krakau. Bronislawa,
het kruis in de hand, moedigde haar zusters aan: “Vreest niet, het kruis
zal ons redden.” Nadat de barbaarse horden een spoor van vernieling door
het land hadden nagelaten en veel ellende hadden gezaaid, werd de bevolking
geteisterd door een pestepidemie. Temidden al deze droeve gebeurtenissen was
Bronislawa, omgeven door haar zusters, de engel van troost voor de beproefde
mensen. Zo komt het, dat de bevolking van Krakau haar ging beschouwen als hun
patrones, die ze kwamen aanroepen in tijden van nood. Het kruis was haar zwaard
en haar schild. Bronislawa wordt altijd uitgebeeld in aanbidding voor Jezus-Christus,
die haar zijn kruis aantoont. Als rampen dreigden, trok ze zich terug in de
eenzaamheid op de berg Sikornik. Daar beval ze aan de Goddelijke Voorzienigheid
haar zorgen en die van haar medemensen. Ze overleed op de berg Sikornik op 29
augustus 1259. De heilige dominicaan Hyacint, was haar neef. Op de dag van zijn
overlijden, de 15 augustus 1257, zag Bronislawa hem in een visioen de hemel
binnengaan aan de hand van Maria.
Haar lichaam werd overgebracht naar de kloosterkerk en ze werd als een “heilige”
aangeroepen. Paus Gregorius XVI verklaarde haar zalig op 23 augustus 1839. In
1947 heeft het Pools episcopaat aan paus Pius XII een smeekschrift gericht,
om Bronislawa heilig te verklaren. Voor informaties tot het canonisatie-proces
Causae van de orde.