Norbert van Gennep, geboren omstreeks 1080, werd kanunnik aan de collegiale
kerk van Sint-Victor te Xanten. Hij ontving het subdiaconaat, zonder zich evenwel
definitief in de geestelijke stand te engageren. Rond 1108-1109 werd hij kapelaan
aan het hof van Frederik, de aartsbisschop van Keulen. Vóór 1110
treffen we hem aan in de omgeving van keizer Hendrik V. Zo vergezelde hij de
keizer naar Rome, waar een twist ontstond aangaande de investituur. Norbert
keerde innerlijk verdeeld van deze tocht terug. In 1113 weigerde hij het bisdom
Kamerijk, hem door de keizer aangeboden.
In de lente van 1115 wordt hij, op weg naar Vreden, tijdens een onweer van zijn
paard geworpen. Dit zorgde voor een verandering in zijn leven. Hij verliet de
keizerlijke hofhouding, waar hij kapelaan was, en legde zich onder de leiding
van Abt Cuno van Siegburg toe op de overweging van de eeuwige waarden. Op quatertemperzaterdag
van 1115 ontving hij te Keulen op een en dezelfde dag de diaken- en de priesterwijding.
Voor het begin van de plechtigheid legde hij zijn kostelijke gewaden af en trok
een kleed aan uit schaapswol. Pas gewijd trok hij zich opnieuw terug te Siegburg,
waar hij veertig dagen doorbracht in gebed. Daarna celebreerde hij te Xanten
zijn eerste heilige Mis en verklaarde aan zijn mede-kanunniken, dat hij de hervorming
van het kapittel wenste. Maar hij vond geen gehoor. Norbert begreep zijn mislukking
en gedurende twee jaar bezon hij zich in de stilte en dacht er over na, hoe
verder zin te geven aan zijn leven. Hij ging te rade bij de kluizenaar Liutolf
en bij de reguliere kanunniken van Rolduc.
Na deze bezinningsperiode begon hij als rondtrekkend predikant zijn preektochten.
Hij wekte de bewondering op van velen, maar verontrustte en ergerde ook anderen.
Hij moest zich in 1118 voor het concilie van Fritzlar verantwoorden. Hij nam
dan het besluit, alles te verlaten en zijn canonikaat en zijn beneficies in
de steek te laten. Hij begon een leven als pelgrim en trok naar de Provence,
waar hij te Saint-Gilles Paus Gelasius II ontmoette. Deze regelde zijn canonieke
situatie. Vandaar ging hij midden in de winter barvoets naar Valenciennes, waar
zijn twee gezellen stierven van uitputting. Hij trof er bisschop Burchard van
Kamerijk, zijn voormalige vriend aan het keizerlijk hof. Hugo van Fosses, de
kapelaan van de bisschop, was getroffen door de persoonlijkheid van Norbert
en drukte de wens uit, zich bij hem aan te sluiten. In 1119 was Norbert aanwezig
op het concilie van Reims. De nieuwe paus Callixtus II vroeg aan zijn neef,
bisschop Barthélémy van Laon, de rondtrekkend predikant onder
zijn bescherming te nemen. Norbert maakte gebruik van zijn verblijf te Laon,
om colleges te volgen aan de kathedrale school.
Op voorstel van de paus aanvaardde hij, het kapittel van Saint-Martin te hervormen.
Het werd ook nu een tegenslag, zoals destijds te Xanten. De bisschop stelde
hem voor, een plaats te zoeken in zijn bisdom waar hij zich zou kunnen vestigen.
De eenzaamheid van Prémontré trok hem aan, maar ondertussen zette
hij zijn preektochten voort en rekruteerde volgelingen: onder andere Evermodus
te Kamerijk en Antonius te Nijvel. Na een preek te Laon sloten zeven anderen
zich bij hem aan.
Op Pasen 1120 vestigden ze zich te Prémontré. Ze zijn dan allen
samen met veertien. Onderling beslisten ze, als reguliere kanunniken te leven
volgens de Regel van de heilige Augustinus. Op Kerstmis 1121 legden ze met dertig
man hun geloften af. Ze namen zich voor volgens de apostolische levenshouding
naar het voorbeeld van de eerste christenen van Jeruzalem te leven. Ze volgden
het voorbeeld van de Gregoriaanse Hervorming. Ze verkozen het witte habijt uit
ongeverfde wol boven het zwarte kloosterkleed. Norbert zag in het witte gewaad
een symbool van de engel, die de verrijzenis aankondigde en ook in het wit gekleed
was. De dagorde was gecentreerd rond de Eucharistie. Ze hadden ook een diepe
verering voor de Maagd Maria, aan wie ze hun kerk toewijdden. Naast de groep
reguliere kanunniken leefden er te Prémontré een groep leken,
“conversi” genaamd, alsook vrouwen die het “hospitium”
voor zieken en reizigers bedienden, dat Norbertus had opgericht. Allen waren
geëngageerd in de kerkelijke vernieuwing. Norbert, die zijn preektochten
voortzette, liet de leiding van de gemeenschap over aan Hugo van Fosses. Vóór
Kerstmis 1121 begaf hij zich naar Keulen, om relieken te verwerven voor zijn
stichting. Op terugweg beloofde hij aan de graaf van Namen, om in Floreffe een
abdij te stichten. In 1123 was hij in Westfalen, waar graaf Godfried van Cappenberg
hem zijn kasteel afstond, om het tot een klooster om te vormen. Cappenberg bracht
de doorbraak voor de Orde in Duitsland. Op aanvraag van bisschop Burchardus
begaf Norbert zich in 1124 naar Antwerpen, om de ketterij van Tanchelm te bestrijden.
Hij stichtte er de Sint-Michielsabdij. In 1125 reisde hij naar Rome, om er de
pauselijke goedkeuring voor acht huizen te vragen. Het jaar daarop, in 1126,
riep de keizer een rijksdag samen te Spiers, waar onder andere de bisschopsbenoeming
voor Maagdenburg moest geregeld worden. Norbertus was er uitgenodigd, en werd
tot aartsbisschop van Maagdenburg uitgeroepen. Op 18 juli 1126 deed hij zijn
intrede in zijn bisschopsstad, barvoets en gekleed als boeteling; een levenshouding,
die hij heeft moeten herzien omdat hij rijksbisschop was geworden. Te Maagdenburg
wachtte hem als eerste taak, de misbruiken uit te roeien en gestolen kerkgoederen
terug te eisen. Maar zijn voornaamste zorg ging uit naar de hervorming van de
clerus. De maatregelen, die hij daartoe uitvaardigde, stootten op hevige weerstand.
Hij riep dan medebroeders uit Prémontré en schonk ze de O.L.V.kerk
in de stad. In zijn bisdom stichtte hij ook twee abdijen te Pohlde en te Gottesgnaden.
Als herder van een bisdom schonk hij een grotere plaats aan het apostolaat van
de medebroeders en legde minder nadruk op de teruggetrokkenheid uit de wereld,
zoals dat te Prémontré het geval was. De acht jaren van zijn episcopaat
waren te kort, om al zijn projecten door te voeren. Pas na zijn dood begonnen
zijn medebroeders aan de bekering van de nog heidense Wenden. De laatste jaren
van zijn leven werden ook nog in beslag genomen door politieke activiteit in
dienst van de Kerk en van het Rijk. Hij bemiddelde om de vrede te bewaren tussen
keizer Lotharius en paus Innocentius II, en in het Duitse gebied was Norbert
de voorstander van Innocentius II tegen de antipaus Anacletus. In 1132 vergezelde
hij Lotharius als kanselier naar Rome voor de keizerskroning.
Teruggekeerd in Duitsland, uitgeput door de inspanningen en de boetedoeningen,
werd hij ziek te Goslar. Hij werd naar Maagdenburg overgebracht. Daar wijdde
hij op Witte-Donderdag nog de heilige Oliën en celebreerde, zittend, met
Pasen zijn laatste Mis. Hij overleed op 6 juni 1134. Men begroef hem in de O.L.V.kerk
van zijn medebroeders. Paus Gregorius XIII canoniseerde Norbertus op 28 juli
1582. Nadat Maagdenburg in de handen was gevallen van de protestanten, bracht
abt de Questemberg zijn lichaam in 1626 over naar de abdij van Strahov te Praag.