Levensbeelden van de heiligen en zaligen


H. Norbertus (6 Juni)

Norbert van Gennep, geboren omstreeks 1080, werd kanunnik aan de collegiale kerk van Sint-Victor te Xanten. Hij ontving het subdiaconaat, zonder zich evenwel definitief in de geestelijke stand te engageren. Rond 1108-1109 werd hij kapelaan aan het hof van Frederik, de aartsbisschop van Keulen. Vóór 1110 treffen we hem aan in de omgeving van keizer Hendrik V. Zo vergezelde hij de keizer naar Rome, waar een twist ontstond aangaande de investituur. Norbert keerde innerlijk verdeeld van deze tocht terug. In 1113 weigerde hij het bisdom Kamerijk, hem door de keizer aangeboden.
In de lente van 1115 wordt hij, op weg naar Vreden, tijdens een onweer van zijn paard geworpen. Dit zorgde voor een verandering in zijn leven. Hij verliet de keizerlijke hofhouding, waar hij kapelaan was, en legde zich onder de leiding van Abt Cuno van Siegburg toe op de overweging van de eeuwige waarden. Op quatertemperzaterdag van 1115 ontving hij te Keulen op een en dezelfde dag de diaken- en de priesterwijding. Voor het begin van de plechtigheid legde hij zijn kostelijke gewaden af en trok een kleed aan uit schaapswol. Pas gewijd trok hij zich opnieuw terug te Siegburg, waar hij veertig dagen doorbracht in gebed. Daarna celebreerde hij te Xanten zijn eerste heilige Mis en verklaarde aan zijn mede-kanunniken, dat hij de hervorming van het kapittel wenste. Maar hij vond geen gehoor. Norbert begreep zijn mislukking en gedurende twee jaar bezon hij zich in de stilte en dacht er over na, hoe verder zin te geven aan zijn leven. Hij ging te rade bij de kluizenaar Liutolf en bij de reguliere kanunniken van Rolduc.
Na deze bezinningsperiode begon hij als rondtrekkend predikant zijn preektochten. Hij wekte de bewondering op van velen, maar verontrustte en ergerde ook anderen. Hij moest zich in 1118 voor het concilie van Fritzlar verantwoorden. Hij nam dan het besluit, alles te verlaten en zijn canonikaat en zijn beneficies in de steek te laten. Hij begon een leven als pelgrim en trok naar de Provence, waar hij te Saint-Gilles Paus Gelasius II ontmoette. Deze regelde zijn canonieke situatie. Vandaar ging hij midden in de winter barvoets naar Valenciennes, waar zijn twee gezellen stierven van uitputting. Hij trof er bisschop Burchard van Kamerijk, zijn voormalige vriend aan het keizerlijk hof. Hugo van Fosses, de kapelaan van de bisschop, was getroffen door de persoonlijkheid van Norbert en drukte de wens uit, zich bij hem aan te sluiten. In 1119 was Norbert aanwezig op het concilie van Reims. De nieuwe paus Callixtus II vroeg aan zijn neef, bisschop Barthélémy van Laon, de rondtrekkend predikant onder zijn bescherming te nemen. Norbert maakte gebruik van zijn verblijf te Laon, om colleges te volgen aan de kathedrale school.
Op voorstel van de paus aanvaardde hij, het kapittel van Saint-Martin te hervormen. Het werd ook nu een tegenslag, zoals destijds te Xanten. De bisschop stelde hem voor, een plaats te zoeken in zijn bisdom waar hij zich zou kunnen vestigen. De eenzaamheid van Prémontré trok hem aan, maar ondertussen zette hij zijn preektochten voort en rekruteerde volgelingen: onder andere Evermodus te Kamerijk en Antonius te Nijvel. Na een preek te Laon sloten zeven anderen zich bij hem aan.
Op Pasen 1120 vestigden ze zich te Prémontré. Ze zijn dan allen samen met veertien. Onderling beslisten ze, als reguliere kanunniken te leven volgens de Regel van de heilige Augustinus. Op Kerstmis 1121 legden ze met dertig man hun geloften af. Ze namen zich voor volgens de apostolische levenshouding naar het voorbeeld van de eerste christenen van Jeruzalem te leven. Ze volgden het voorbeeld van de Gregoriaanse Hervorming. Ze verkozen het witte habijt uit ongeverfde wol boven het zwarte kloosterkleed. Norbert zag in het witte gewaad een symbool van de engel, die de verrijzenis aankondigde en ook in het wit gekleed was. De dagorde was gecentreerd rond de Eucharistie. Ze hadden ook een diepe verering voor de Maagd Maria, aan wie ze hun kerk toewijdden. Naast de groep reguliere kanunniken leefden er te Prémontré een groep leken, “conversi” genaamd, alsook vrouwen die het “hospitium” voor zieken en reizigers bedienden, dat Norbertus had opgericht. Allen waren geëngageerd in de kerkelijke vernieuwing. Norbert, die zijn preektochten voortzette, liet de leiding van de gemeenschap over aan Hugo van Fosses. Vóór Kerstmis 1121 begaf hij zich naar Keulen, om relieken te verwerven voor zijn stichting. Op terugweg beloofde hij aan de graaf van Namen, om in Floreffe een abdij te stichten. In 1123 was hij in Westfalen, waar graaf Godfried van Cappenberg hem zijn kasteel afstond, om het tot een klooster om te vormen. Cappenberg bracht de doorbraak voor de Orde in Duitsland. Op aanvraag van bisschop Burchardus begaf Norbert zich in 1124 naar Antwerpen, om de ketterij van Tanchelm te bestrijden. Hij stichtte er de Sint-Michielsabdij. In 1125 reisde hij naar Rome, om er de pauselijke goedkeuring voor acht huizen te vragen. Het jaar daarop, in 1126, riep de keizer een rijksdag samen te Spiers, waar onder andere de bisschopsbenoeming voor Maagdenburg moest geregeld worden. Norbertus was er uitgenodigd, en werd tot aartsbisschop van Maagdenburg uitgeroepen. Op 18 juli 1126 deed hij zijn intrede in zijn bisschopsstad, barvoets en gekleed als boeteling; een levenshouding, die hij heeft moeten herzien omdat hij rijksbisschop was geworden. Te Maagdenburg wachtte hem als eerste taak, de misbruiken uit te roeien en gestolen kerkgoederen terug te eisen. Maar zijn voornaamste zorg ging uit naar de hervorming van de clerus. De maatregelen, die hij daartoe uitvaardigde, stootten op hevige weerstand. Hij riep dan medebroeders uit Prémontré en schonk ze de O.L.V.kerk in de stad. In zijn bisdom stichtte hij ook twee abdijen te Pohlde en te Gottesgnaden. Als herder van een bisdom schonk hij een grotere plaats aan het apostolaat van de medebroeders en legde minder nadruk op de teruggetrokkenheid uit de wereld, zoals dat te Prémontré het geval was. De acht jaren van zijn episcopaat waren te kort, om al zijn projecten door te voeren. Pas na zijn dood begonnen zijn medebroeders aan de bekering van de nog heidense Wenden. De laatste jaren van zijn leven werden ook nog in beslag genomen door politieke activiteit in dienst van de Kerk en van het Rijk. Hij bemiddelde om de vrede te bewaren tussen keizer Lotharius en paus Innocentius II, en in het Duitse gebied was Norbert de voorstander van Innocentius II tegen de antipaus Anacletus. In 1132 vergezelde hij Lotharius als kanselier naar Rome voor de keizerskroning.
Teruggekeerd in Duitsland, uitgeput door de inspanningen en de boetedoeningen, werd hij ziek te Goslar. Hij werd naar Maagdenburg overgebracht. Daar wijdde hij op Witte-Donderdag nog de heilige Oliën en celebreerde, zittend, met Pasen zijn laatste Mis. Hij overleed op 6 juni 1134. Men begroef hem in de O.L.V.kerk van zijn medebroeders. Paus Gregorius XIII canoniseerde Norbertus op 28 juli 1582. Nadat Maagdenburg in de handen was gevallen van de protestanten, bracht abt de Questemberg zijn lichaam in 1626 over naar de abdij van Strahov te Praag.

God, Gij hebt de heilige Norbertus geroepen, om een bijzondere dienaar van de Kerk te zijn, die de waarde van het bidden heeft erkend en zich ijverig aan de zielzorg heeft gewijd. Op voorspraak van deze heilige bisschop vragen wij, dat Uw gelovigen steeds bij goede herders leiding vinden en het voedsel ontvangen, dat zij nodig hebben. Door onze Heer, Jezus Christus, Uw Zoon, die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God, door de eeuwen der eeuwen. Amen.