Levensbeelden van de heiligen en zaligen


H. Herman-Jozef (24 Mei)

Herman werd rond 1150 te Keulen geboren. Vanaf zijn prilste jeugd koesterde hij een tedere devotie voor de Heilige Maagd. De “Vita” verhaalt dat de knaap iedere dag ging bidden in de kerk van Sint Maria van het Kapitool. Zekere dag bood hij, voor het Mariabeeld staande, een appel aan. De Moeder Gods boog zich voorover, zodat het kind Jezus de appel in ontvangst kon nemen. Twaalfjarig trad hij binnen bij de premonstratenzers van Steinfeld. Hij werd voor de studies naar de abdij Mariëngaarde in Friesland gestuurd. Als jonge kleriker beoefende hij een strenge boetvaardigheid. Na zijn terugkeer te Steinfeld ontving hij de priesterwijding en kreeg als taak de zorg voor sacristie en refter. De handenarbeid hinderde hem geenszins om inwendig te leven. Herman was contemplatief begiftigd met uitzonderlijke genaden. De naam “Jozef”, toegevoegd aan zijn naam, vindt zijn oorsprong in een visioen waarin de heilige Maagd hem erkende als haar mystieke bruidegom. Een tijdlang was hij kapelaan bij de zusters Cisterciënzerinnen en hield nauwe relaties met de monialen voor wie hij een begeerde geestelijke leider was. Zijn kinderlijke vroomheid werd door enkele medebroeders verkeerdelijk ingeschat; in hun kortzichtigheid zagen zij Herman als een naïeveling aan. Nederig en arm van geest, geduldig en welwillend voor iedereen in het bijzonder voor degenen, die hem het minst begrepen, onderdanig aan zijn oversten, spontaan bereid om bij te dragen tot de vreugde van zijn medebroeders, is de heilige Herman-Jozef het ideale toonbeeld van de augustijnenkloosterling.
Hij schreef meerdere liederen ter ere van de Moeder Gods, een commentaar op het Hooglied en gedichten op de 10.000 maagden, een devotie die in Keulen zeer verspreid was. Het affectief genre van zijn liederen, de zuivere metriek en de eenvoudige berijming verraden een echte dichterziel: Herman-Jozef was een talentvol kunstenaar. Hij is ook een van de eersten, die melding maken van het Heilig Hart van Jezus: Herman-Jozef was een authentieke mystieker, gevoed door de Heilige Schrift. Maar men prijst hem eveneens omwille van zijn vaardigheid in het herstellen van uurwerken. Om hem naar hun klooster te lokken, wendden de zusters soms een gebroken uurwerk voor, dat moest hersteld worden. Tijdens de Vasten van 1241 was hij naar de cisterciënzerinnen van Hove gegaan. Hij werd er ziek en overleed op Witte Donderdag 4 april 1241.
Zijn lichaam werd op plechtige wijze naar Steinfeld overgebracht. Het berust in een marmeren tombe midden in de abdijkerk. Onmiddellijk na zijn dood begon de verering van Herman-Jozef; zijn prior stelde zijn “Vita” op. Benedictus XIII erkende zijn cultus op 22 januari/8 maart 1728. Op 11 augustus 1958 heeft Paus Johannes XXIII de eeuwenoude cultus van Herman-Jozef goedgekeurd en hem de titel van “heilige” geschonken. In het Rijnland wordt hij vereerd als de patroon van de kinderen en de studerende jeugd.

God, onze Vader, geef dat wij naar het voorbeeld van de heilige Herman-Jozef de kinderlijke eenvoud van het Evangelie mogen verwerven en het Rijk der hemelen mogen binnengaan. Door onze Heer Jezus Christus, Uw Zoon, die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God, door de eeuwen der eeuwen. Amen.