
Herman werd rond 1150 te Keulen geboren. Vanaf zijn prilste jeugd koesterde
hij een tedere devotie voor de Heilige Maagd. De “Vita” verhaalt
dat de knaap iedere dag ging bidden in de kerk van Sint Maria van het Kapitool.
Zekere dag bood hij, voor het Mariabeeld staande, een appel aan. De Moeder Gods
boog zich voorover, zodat het kind Jezus de appel in ontvangst kon nemen. Twaalfjarig
trad hij binnen bij de premonstratenzers van Steinfeld. Hij werd voor de studies
naar de abdij Mariëngaarde in Friesland gestuurd. Als jonge kleriker beoefende
hij een strenge boetvaardigheid. Na zijn terugkeer te Steinfeld ontving hij
de priesterwijding en kreeg als taak de zorg voor sacristie en refter. De handenarbeid
hinderde hem geenszins om inwendig te leven. Herman was contemplatief begiftigd
met uitzonderlijke genaden. De naam “Jozef”, toegevoegd aan zijn
naam, vindt zijn oorsprong in een visioen waarin de heilige Maagd hem erkende
als haar mystieke bruidegom. Een tijdlang was hij kapelaan bij de zusters Cisterciënzerinnen
en hield nauwe relaties met de monialen voor wie hij een begeerde geestelijke
leider was. Zijn kinderlijke vroomheid werd door enkele medebroeders verkeerdelijk
ingeschat; in hun kortzichtigheid zagen zij Herman als een naïeveling aan.
Nederig en arm van geest, geduldig en welwillend voor iedereen in het bijzonder
voor degenen, die hem het minst begrepen, onderdanig aan zijn oversten, spontaan
bereid om bij te dragen tot de vreugde van zijn medebroeders, is de heilige
Herman-Jozef het ideale toonbeeld van de augustijnenkloosterling.
Hij schreef meerdere liederen ter ere van de Moeder Gods, een commentaar op
het Hooglied en gedichten op de 10.000 maagden, een devotie die in Keulen zeer
verspreid was. Het affectief genre van zijn liederen, de zuivere metriek en
de eenvoudige berijming verraden een echte dichterziel: Herman-Jozef was een
talentvol kunstenaar. Hij is ook een van de eersten, die melding maken van het
Heilig Hart van Jezus: Herman-Jozef was een authentieke mystieker, gevoed door
de Heilige Schrift. Maar men prijst hem eveneens omwille van zijn vaardigheid
in het herstellen van uurwerken. Om hem naar hun klooster te lokken, wendden
de zusters soms een gebroken uurwerk voor, dat moest hersteld worden. Tijdens
de Vasten van 1241 was hij naar de cisterciënzerinnen van Hove gegaan.
Hij werd er ziek en overleed op Witte Donderdag 4 april 1241.
Zijn lichaam werd op plechtige wijze naar Steinfeld overgebracht. Het berust
in een marmeren tombe midden in de abdijkerk. Onmiddellijk na zijn dood begon
de verering van Herman-Jozef; zijn prior stelde zijn “Vita” op.
Benedictus XIII erkende zijn cultus op 22 januari/8 maart 1728. Op 11 augustus
1958 heeft Paus Johannes XXIII de eeuwenoude cultus van Herman-Jozef goedgekeurd
en hem de titel van “heilige” geschonken. In het Rijnland wordt
hij vereerd als de patroon van de kinderen en de studerende jeugd.