Levensbeelden van de heiligen en zaligen


H. Godefridus (14 Januari)

Hij was de zoon van Godfried, graaf van Cappenberg en van Beatrijs van Schweinfurt. Geboren in 1097, huwde hij Jutta, de dochter van de graaf van Arnsberg. In de twist tussen de bisschop van Münster en de keizer koos hij partij voor de bisschop. De strijd beu, wou hij zich terugtrekken uit de oorlogswereld en zijn kasteel omvormen tot een klooster. Samen met zijn broeder Otto ontmoette hij in 1121 Sint Norbertus. Godfried was onder de indruk van het apostolisch leven dat Norbert van Xanten in woord en daad verkondigde. In het begin ondervond hij weerstand bij zijn broer Otto en zijn echtgenote Jutta om van zijn kasteel een klooster te maken. De hevigste reactie kwam echter van zijn schoonvader, de graaf van Arnsberg. Op de rijksdag van Utrecht sloot graaf Frederik van Schwaben zich aan bij Godfried en deze verkocht aan Frederik twee kastelen. Op 31 mei 1122 schonk hij de burcht van Cappenberg aan Norbertus en op 15 augustus van dat jaar wijdde de bisschop van Münster het klooster in. De twee broers konden zich pas in 1124 bij de Orde aansluiten. Er waren nog rechten te verdedigen en Godfried moest ook de instemming krijgen van zijn echtgenote Jutta. Zij besloot in te treden in het Niederklooster van Cappenberg. Eerst verbleef Godfried te Cappenberg waar hij een hospitaal bouwde voor de armen. In een geest van diepe nederigheid bewees hij er de meest eenvoudige diensten.
Norbertus riep in 1125 de twee broeders naar Prémontré. Gehoorzaam aan hun meester gingen ze er heen en werden acoliet gewijd. Toen Norbertus benoemd werd tot aartsbisschop van Maagdenburg in 1126, liet hij Godfried daarheen komen. Dit werd voor hem een pijnlijke beproeving. Het leven in het bisschoppelijk paleis lag hem niet, en zijn gezondheid begon er onder te lijden. Nog hetzelfde jaar verliet hij Maagdenburg en ging met de zegen van Norbertus naar Ilbenstadt dat ook door zijn tussenkomst gesticht was. Kort na zijn aankomst overleed hij er op 13 januari 1127, bijna 30 jaar oud. Godfried was geen man van geweld. Tijdens de twisten met zijn schoonvader drukte hij de wens uit martelaar te worden. De laatste maanden van zijn leven wierp hij zich soms plat ter aarde, om uit te drukken dat hij uit dit leven wilde heengaan.
Zijn reliquieën werden in 1148 verdeeld tussen Ilbenstadt en Cappenberg. Paus Paulus V stond in 1614 toe dat hij te Cappenberg mocht vereerd worden. Benedictus XIII breidde zijn cultus uit tot de hele Orde (22 januari/8 maart 1728). Na de droeve periode, die volgde op de secularisatie, heeft bisschop Emmanuel von Ketteler van Mainz in 1862 de verering van Godfried opnieuw gepromoveerd.

Almachtige God, Gij hebt de heilige Godfried de kracht gegeven alles te verlaten wat hem dierbaar was om U te vinden. Wij bidden U: geef dat ook wij ons geluk niet zoeken in rijkdom en aanzien, maar in Christus Uw Zoon, die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God door de eeuwen der eeuwen. Amen.