
Gilbertus was een ridder en behoorde tot de hoge adel van Auvergne. Op raad
van Orniferius, abt van premonstratenzerabdij van Dilo, nam hij deel aan de
tweede kruisvaart (1147-1149), die de heilige Bernardus te Vezelay had gepreekt
en die geleid werd door koning Lodewijk VII. De tocht eindigde in een militaire
catastrophe. Ontsnapt aan deze gevaarvolle onderneming besloot Gilbertus, in
overeenstemming met zijn echtgenote Petronilla en zijn dochter Poncia, zich
aan de Heer te wijden in het klooster. Een deel van zijn uitgestrekt domein
werd te gelde gemaakt en aan de armen uitgedeeld. Hij richtte ook een vrouwenklooster
op, waarin zijn vrouw en zijn dochter intraden. Gilbert leefde eerst als kluizenaar.
Daarna deed hij zijn noviciaat in de abdij van Dilo, onder de leiding van abt
Ornulfus. Omstreeks 1151 bouwde hij de abdij van Neuffontaines en werd de eerste
abt. In navolging van wat de heilige Norbertus had gedaan te Prémontré,
verbond hij aan de abdij een hospitaal, dat snel beroemd werd, dank zij de wonderen,
die er door zijn tussenkomst gebeurden.
Boetvaardig en liefdevol bekommerde hij zich om zieken en zondaars, die in het
hospitaal bij hem troost zochten voor hun lichamelijke en geestelijke kwalen.
Van zowat overal bracht men de zieke kinderen bij Gilbertus. Hij legde hun de
handen op en schonk ze genezen aan de ouders terug. Na zijn dood was te Neuffontaines
het gebruik ontstaan, dat de ouders hun ziek kind naar de abdij brachten, het
bekleedden met het wit habijt en beloofden, dat dit kleed gedurende een bepaalde
tijd zou gedragen worden.
Uitgeput door de arbeid en de versterving, overleed hij op 5 juni 1152. Hij
had het verlangen uitgedrukt, om begraven te worden op het kerkhof van de armen,
die in de abdij overleden. Ten gevolge van de vele mirakelen, die God door zijn
voorspraak verrichtte, bracht men zijn lichaam over naar de abdijkerk en tijdens
de Frans Revolutie in 1791 naar St-Didier; vandaag zijn de reliquieën spoorloos
verdwenen. Het feest van de heilige Gilbertus op 24 oktober herinnert aan deze
overbrenging van de 17e eeuw. Paus Benedictus XIII heeft zijn cultus goedgekeurd
op 22 januari/8 maart 1728.