Levensbeelden van de heiligen en zaligen


H. Fredericus (4 Februari)

Fredericus Feicone, zoon van een arme weduwe uit Hallum in Friesland, voelde zich van jongsaf geroepen tot het priesterschap. Hij ontving de eerste begrippen van het Latijn bij zijn pastoor. Te Münster studeerde hij de “vrije kunsten” en legde zich vooral toe op de Heilige Schrift. Drie heiligendevoties kenmerkten de jonge Fredericus: die tot de heilige Maagd, tot de evangelist Johannes en tot de heilige Cecilia. Teruggekeerd uit Münster, werd hij onderwijzer. Zodra hij de vereiste ouderdom had bereikt, ontving hij de priesterwijding. Hij werd vicaris bij zijn pastoor van Hallum, die hij na diens dood opvolgde. Hij vatte het plan op, een hospitaal te bouwen. Na het overlijden van zijn moeder vroeg hij bisschop Godfried van Utrecht (1156-1177) om een klooster van clerici te mogen oprichten. Hij ontving het canoniaal habijt en begaf zich naar de premonstratenzerabdij Mariënweerd, waar hij als novice de kloosterlijke gebruiken leerde kennen. Daarna doorkruiste hij steden en dorpen om kandidaten te rekruteren voor zijn stichting. In 1163 bouwde hij een kloosterkerk ter ere van de Maagd Maria, die hij de naam “Mariëngaarde” gaf. Het klooster dat hij bouwde was een dubbelklooster voor mannen en vrouwen, maar de vrouwen werden later naar “Betlehem” overgebracht. Hij vroeg de premonstratenzerabdij Steinfeld om de paterniteit over zijn klooster. Zo sloot hij zich aan bij de Orde van Prémontré. Frederik werd er de abt. Hij bleef ook pastoor van Hallum en rector van Betlehem. Aan de abdij verbond hij een clerikerschool, die vlug grote befaamdheid verwierf.
Bij de zusters van Betlehem werd hij ziek, hij ging naar Hallum waar hij zijn laatste Mis las in de kerk waar hij ook zijn eerste Mis had gecelebreerd. Daarna ging hij naar Mariëngaarde om er te sterven. Aan zijn medebroeders vertrouwde hij toe: “Bidt veel voor mij, want ik heb voor de armen niet gedaan wat ik wenste te doen, omwille van de behoeftigheid van ons klooster.” Hij drukte hun op het hart trouw te blijven aan de Regel, en verzekerde hen, dat hij hen nooit in de steek zou laten als ze kloosterlijk zouden leven. Hij overleed op 3 maart 1175. Op zijn graf geschiedden talrijke mirakelen, en Mariëngaarde werd een druk bezocht bedevaartsoord. Nadat de calvinisten zich van Friesland hadden meester gemaakt, werden zijn reliquieën in 1614 overgebracht naar Bonne-Espérance en abt Nicolas Chamart plaatste ze in 1616 in de abdijkerk. Tijdens de Franse Revolutie bracht men ze over naar de kerk van Vellereille. Abt Bouwens van Leffe heeft ze in 1938 overgebracht naar zijn abdij. Paus Benedictus XIII erkende de cultus van de heilige Fredericus op 22 januari/8 maart 1728.

Heer, onze God, de heilige Fredericus is Uw Zoon gevolgd in zijn totale overgave aan U en zijn onvermoeide inzet voor de mensen. Geef, dat wij naar zijn voorbeeld, arm van geest, U en elkander liefhebben in de naam van Jezus Christus, Uw Zoon, die met U leeft en heerst in de eenheid van de Heilige Geest, God door de eeuwen der eeuwen. Amen.