
Fredericus Feicone, zoon van een arme weduwe uit Hallum in Friesland, voelde
zich van jongsaf geroepen tot het priesterschap. Hij ontving de eerste begrippen
van het Latijn bij zijn pastoor. Te Münster studeerde hij de “vrije
kunsten” en legde zich vooral toe op de Heilige Schrift. Drie heiligendevoties
kenmerkten de jonge Fredericus: die tot de heilige Maagd, tot de evangelist
Johannes en tot de heilige Cecilia. Teruggekeerd uit Münster, werd hij
onderwijzer. Zodra hij de vereiste ouderdom had bereikt, ontving hij de priesterwijding.
Hij werd vicaris bij zijn pastoor van Hallum, die hij na diens dood opvolgde.
Hij vatte het plan op, een hospitaal te bouwen. Na het overlijden van zijn moeder
vroeg hij bisschop Godfried van Utrecht (1156-1177) om een klooster van clerici
te mogen oprichten. Hij ontving het canoniaal habijt en begaf zich naar de premonstratenzerabdij
Mariënweerd, waar hij als novice de kloosterlijke gebruiken leerde kennen.
Daarna doorkruiste hij steden en dorpen om kandidaten te rekruteren voor zijn
stichting. In 1163 bouwde hij een kloosterkerk ter ere van de Maagd Maria, die
hij de naam “Mariëngaarde” gaf. Het klooster dat hij bouwde
was een dubbelklooster voor mannen en vrouwen, maar de vrouwen werden later
naar “Betlehem” overgebracht. Hij vroeg de premonstratenzerabdij
Steinfeld om de paterniteit over zijn klooster. Zo sloot hij zich aan bij de
Orde van Prémontré. Frederik werd er de abt. Hij bleef ook pastoor
van Hallum en rector van Betlehem. Aan de abdij verbond hij een clerikerschool,
die vlug grote befaamdheid verwierf.
Bij de zusters van Betlehem werd hij ziek, hij ging naar Hallum waar hij zijn
laatste Mis las in de kerk waar hij ook zijn eerste Mis had gecelebreerd. Daarna
ging hij naar Mariëngaarde om er te sterven. Aan zijn medebroeders vertrouwde
hij toe: “Bidt veel voor mij, want ik heb voor de armen niet gedaan wat
ik wenste te doen, omwille van de behoeftigheid van ons klooster.” Hij
drukte hun op het hart trouw te blijven aan de Regel, en verzekerde hen, dat
hij hen nooit in de steek zou laten als ze kloosterlijk zouden leven. Hij overleed
op 3 maart 1175. Op zijn graf geschiedden talrijke mirakelen, en Mariëngaarde
werd een druk bezocht bedevaartsoord. Nadat de calvinisten zich van Friesland
hadden meester gemaakt, werden zijn reliquieën in 1614 overgebracht naar
Bonne-Espérance en abt Nicolas Chamart plaatste ze in 1616 in de abdijkerk.
Tijdens de Franse Revolutie bracht men ze over naar de kerk van Vellereille.
Abt Bouwens van Leffe heeft ze in 1938 overgebracht naar zijn abdij. Paus Benedictus
XIII erkende de cultus van de heilige Fredericus op 22 januari/8 maart 1728.